GESCHIEDENIS

Copyright @ All Rights Reserved

    Facebook KSV Hollandia Lovaniensis

    Geschiedenis van de K.S.V. Hollandia Lovaniensis

     

    In de lange geschiedenis van de Leuvense universiteit (gesticht in 1425 door een bul van paus Martinus V) neemt de periode van het georganiseerde clubleven, zoals dat op dit moment bestaat, een relatief korte tijdsspanne in. Over vormen van studentenleven en -verenigingen voor de jaren 1880 is relatief weinig geweten. Deels komt dat door het teloorgaan van de bronnen, deels ook omdat studentenverenigingen normaal eerder in de marge van de universiteit opereren en dus eenvoudigweg niet of nauwelijks in de officiële archieven vertegenwoordigd zijn. Toch moeten al vanaf het begin bepaalde vormen van ontspanning hebben bestaan: de universitaire gemeenschap onderscheidde zich door haar herkomst uit alle hoeken van de Lage Landen en daarbuiten, door haar afwijkende kleding en het gebruik van het Latijn als omgangstaal, en uiteraard door haar bezigheden te sterk van de gewone stedelijke bevolking van Leuven dan dat men een volkomen vermenging zou mogen aannemen.

     

    Naar voorbeeld van de Parijse universiteit bestonden ook in Leuven vier nationes, Flandria, Picardia, Brabantia (de grootste en belangrijkste) en Hollandia (waar niet alleen het bovenmoerdijkse gebied onder viel, maar ook wat er verder uit nog noordelijker gebieden naar Leuven was afgezakt), maar de rol die deze nationes speelden blijft eerder vaag en enig verband met studentenverenigingen is zeker ver te zoeken. Anders ligt dat met een aantal verenigingen die in het midden van de 17de eeuw opkomen en die studenten van een bepaalde stad of omliggend gebied groeperen. Deze verenigingen waren echter wel vaak specifiek beperkt tot een van de vijf faculteiten (artes, geneeskunde, kerkelijk en wereldlijk recht en theologie). Zo kent men verenigingen uit de steden Leuven, Brussel en Antwerpen, maar ook een viertal uit het huidige Noord-Brabant. De laatste omvatten de vereniging van studenten uit de Baronie van Breda, uit de stad 's-Hertogenbosch en twee verenigingen voor studenten uit de rest van de Meierij, nl. de Confraternitas theologorum (dus beperkt tot de studenten theologie), opgericht in 1654, en de Congregatio Maioratus Silvaeducensis die de artes-studenten groepeerde en welks stichtingsdatum onbekend is. Deze verenigingen leven voor ons met name nog in de fraaie inschrijvingsregisters, waarin de leden, na het reglement, zich inschreven en daar soms ware kunstwerkjes van maakten.

     

    Met de opheffing van de universiteit in 1797 verdwenen deze verenigingen uiteraard eveneens, maar de registers werden in menig geval gered: voor de Meierijse en Bossche studenten gebeurde dat, doordat ze in het seminarie van het vicariaat-generaal in 's-Hertogenbosch en later in Haaren terechtkwamen. In de jaren 1980 werden ze dan weer aan de Leuvense universiteitsbibliotheek geschonken, waar ze zich nog steeds bevinden.

     

    Het reglement leert ons dat o.m. het roken van tabak en het spelen met kaarten ten strengste verboden was: dat verhitte de gemoederen te veel. Elke maand was er een bijeenkomst, blijkbaar in de loop van de namiddag, want de vaak in colleges verblijvende studenten moesten op tijd binnen zijn. Om de plaats van samenkomst te bepalen gingen de decanus (= praeses) en de fiscus (= quaestor) verschillende herbergen af om te zien waar het bier het best was. Het reglement bepaalde dat zij in totaal bij deze expeditie drie pinten op kosten van de vereniging mochten drinken: alles wat ze hierboven nog tot zich namen, was voor eigen rekening.

     

    Ook al ontbreekt elk reëel verband met Hollandia of de andere Leuvense verenigingen van het clubtype, toch is het interessant om te zien dat deze 'voorlopers' net als de latere clubs op regionale basis georganiseerd waren en dat hun omvang niet veel verschilde van de huidige clubs: bij het diner ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de Confraternitas theologorum in 1754 telde men 25 leden, wat ongeveer zoveel was als het ledenaantal van Hollandia bij zijn twintigste lustrum.

     

    Van Hollandsche Klub tot KSV Hollandia Lovaniensis (1886-1942)

    Het vaandel van K.S.V. Hollandia Lovaniensis geschonken in 1896

    Toen dan in de jaren 1870 en 1880 het Leuvense studentenleven zich begon te organiseren volgens het ook thans nog gebruikelijke model, ontstonden naast Vlaamse en Waalse gilden en clubs ook enkele verenigingen van buitenlandse studenten, meer bepaald van de Zwitsers, de Luxemburgers en de Nederlanders. De laatsten sloten zich in 1886 aaneen in de Hollandsche Klub. De traditioneel overgeleverde datum van 24 maart steunt overigens niet op enig document en de herkomst van deze datum is in duisternis gehuld. Van de eerste jaren is verder weinig bekend. Uit de jaren 1890 dringen slechts enkele geruchten door in het tijdschrift van de Vlaamse studenten, Ons leven, over een concert, een leestafel, het tienjarig bestaan in 1896 en de aanschaf van het clubvaandel. Het laatste bestaat nog steeds en wordt in het Museum voor het Vlaams studentenleven als bruikleen bewaard. Ook is er voor 1898 een eerste praeses bekend, althans zijn achternaam, nl. een heer Verwer. De schaarse vermeldingen doen juist door hun geringe aantal vermoeden dat de verhoudingen tussen de voorouder van het huidige Hollandia en de Vlaamse clubs eerder aan de koele kant zijn geweest. Ook als het historisch materiaal iets talrijker wordt (in de jaren 1930), zijn er wel aanwijzingen voor contacten met de andere twee buitenlandse clubs en voor nieuwkomer Eumavia (uit de Oostkantons die België als oorlogsbuit na de Eerste Wereldoorlog had mogen annexeren) maar niet echt voor de eigenlijke Vlaamse (of de Waalse) clubs. In de jaren 1909-1912 was de latere minister van oorlog en van landbouw L.N. Deckers (1883-1978) lid: al heeft zijn Hollandia-lidmaatschap weinig sporen nagelaten, zijn latere carriëre als minister en staatsraad zou de vereniging in de jaren 1950 en 1960 enige flair geven op reünies.

     

    Tijdens de Eerste Wereldoorlog was de universiteit gesloten en verdween de vereniging uit het zicht, maar na 1919 dook ook de Hollandsche Klub weer op. Misschien dat op dat moment de naamsverandering naar het Latijnse Hollandia Lovaniensis zich voltrokken had, misschien dat dat pas in 1930 het geval was. Heel veel is er ook over deze periode niet bekend: een enkel verslag over de jaren 1919-1922 van de hand van toenmalig praeses Jean van de Voort in het lustrumboek van 1951 is al wat er ons van rest. Op dat moment lijkt er overigens wel van enige toenadering tot de Vlaamse clubs sprake, maar veel meer is daar ook niet van te zeggen. Een foto in het universiteitsarchief met een aantal heren met studentenpetten en het vaandel van Hollandia is traditioneel geduid als een bezoek van Vlaamse praesides aan Hollandia in de jaren 1930: vergelijking met andere foto's met Vlaamse praesides laat echter toe deze foto al in 1923-1925 te dateren. De enige Nederlander die er op staat, zou daarom eventueel Jean van de Voort of Kees Perrichon (een andere met naam bekende figuur uit het toenmalige Hollandia) kunnen zijn.

     

    De gedocumenteerde geschiedenis van Hollandia begint in feite pas in januari 1930, datum van het oudste archiefstuk, een exemplaar van de Statuten, waarin sprake is -alweer- van een herstichting. Het begin van Hollandia's geschiedenis lijkt zo eerder traag en moeizaam te zijn geweest. Mogelijk valt deze herstichting in verband te brengen met de oprichting van het Seniorenkonvent (SK), die getuigt van een instensiever studentenleven, maar van contacten tussen Hollandia en het SK blijkt verder niet heel veel. De club uit 1930 betitelde zich officieel als de Nederlandsche studentenvereeniging te Leuven Hollandia Lovaniensis. Blijkbaar ging het om een wat elitair genootschap, waar men alleen door coöptatie kon toetreden. Sfeer en programma lijken onvoldoende te zijn geweest om een tegenbeweging te voorkomen. In 1936, toen Hollandia onder praeses Leo van Hommerich (1909-1976) zijn vijftigste verjaardag vierde met een soirée in een duur Brussels hotel, vormden enkele studenten een tweede Nederlandse studentenvereniging, Neerlandia Lovaniensis, op een model dat meer overeenkwam met de geest in Nederland zelf en die van de tijd.

     

    Carnaval in 1938

    In tegenstelling tot het regionaal gebaseerde Belgische studentenleven (aan beide zijden van de taalgrens) is het Nederlandse studentenleven eerder op levensbeschouwing gebaseerd en kende het -zeker in die periode- nog een sterke verzuiling. Neerlandia mat zich dan ook, in overeenstemming met die praktijk, duidelijk het predikaat "Roomsch-katholiek" aan (wat in Leuven zelf volstrekt overbodig en zinloos was). Als erfgenaam van Neerlandia heet het huidige Hollandia ook nog steeds officieel Katholieke studentenvereniging Hollandia Lovaniensis en beschouwt het zichzelf als de oudste Nederlandse katholieke studentenvereniging tout court, maar deze betiteling is in expliciete vorm dus meer dan vijftig jaar jonger dan de vereniging zelf... Bovendien werden de jaren 1930 gekenmerkt door het opkomen van steeds radicalere en extremistischere groepen ter rechterzijde. Een probaat middel hiertegen leek gevonden te kunnen worden in een degelijke katholieke supervisie, wat mede dit bewust katholieke predikaat verklaart. Een sleutelpositie in deze vereniging werd dan ook ingenomen door de moderator, de geestelijke raadsman, gekozen uit de priester-leden binnen de vereniging. Pas de statutenwijziging van 1990 maakte een eind aan deze functie, niet in het minst omdat er al lang geen priesters meer in de vereniging gevonden werden. De moderator droeg de wekelijkse eigen mis op, hield toezicht op de zeden en had in alles wat "katholieke aangelegenheden" betrof het laatste woord. Althans in theorie, want in de praktijk zijn er niet heel veel sporen van ingrijpen te vinden.

     

    Neerlandia (waartoe ook de dichter Bertus Aafjes in 1936 kort toetrad) beantwoordde duidelijk beter aan de behoeften en het oude Hollandia leidde al spoedig een zeer kwijnend bestaan. Aanvankelijke pogingen tot verzoening tussen beide rivaliserende clubs waren tot mislukken gedoemd en vanaf 1938 ontbreekt elk spoor van Hollandia: een lidkaart (met de kleuren oranje, wit en blauw!) van de toenmalige praeses Jan Dormans is het laatste document. Binnen Neerlandia ontstond echter toch weer een polarisering tussen een meer politieke vleugel en de rest. Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog voorkwam een breuk: de politiek nogal rechts georiënteerden verdwenen en de vereniging werd een model van eensgezindheid in de moeilijke oorlogsjaren. Men fluistert dat de vereniging een belangrijke rol speelde in een koeriersnetwerk, maar bewijzen hiervoor ontbreken ten enenmale: mogelijk is dit een wat overdreven zelfbeeld, ontstaan en ontwikkeld in een cultuur die net na de oorlog "het verzet" verheerlijkte.

     

    In het oorlogsjaar 1941-1942 vonden onder praeses Leopold Knops wel twee belangrijke gebeurtenissen plaats voor het vervolg. Op 6 maart 1942 trad tijdens de inauguratie voor de eerste maal een in Leuven unieke, maar aan Hollandia zeer eigen instelling op: de Bloedraad of het Hof van Inquisitie. Bovendien nam Neerlandia op 12 juni 1942 de beslissing om de oude naam Hollandia weer aan te nemen. Daarmee ontstond eindelijk de vereniging in haar huidige vorm. Hollandia is dus de directe erfgenaam van Neerlandia dat als concurrent van het oudere Hollandia is gesticht. Meteen na dit succesjaar in de oorlog (1941-42) verdwijnt de vereniging weer in de nevelen der geschiedenis, om in januari 1945, met de opening van het academiejaar, in volle glorie te verschijnen.

     

    De gouden fourties, fifties en sixties: Hollandia's klassieke bloeitijd (1945-1969)

    In januari 1945 begint de tweede grote fase van Hollandia's geschiedenis na het moeizame begin, een fase die voornamelijk gekenmerkt wordt door een overheersen van de sfeer van het Nederlandse studentenleven, zij het op de numeriek bescheiden schaal van het Leuvense milieu. Nooit heeft Hollandia wellicht meer het karakter gehad van een vereniging van buitenlanders.

     

    Toen de Leuvense universiteit haar deuren in januari 1945 weer opende, was er in het bevrijde zuiden van Nederland geen universiteit operationeel: de enige universiteit, Nijmegen, lag letterlijk in puin. Dat verklaart de toestroom van Nederlandse studenten op dat moment. Voor Hollandia betekende het een gouden tijd, maar ook een onmiddellijke aanpassing. De vereniging verkreeg op dat moment haar gemengd (jongens en meisjes) karakter: in het archief is nog de brief bewaard die praeses Leopold Knops aan rector Van Waeyenbergh schreef om toelating te vragen dat vrouwelijke studenten bij vergaderingen van Hollandia aanwezig mochten zijn. Daarbij werd herhaaldelijk beloofd dat deze vrouwelijke studenten onder gepast geleide naar hun peda's terug zouden worden gebracht. Het antwoord kwam vrij snel: ondertekend door vice-rector Suenens (de latere aartsbisschop van Mechelen) werd de toestemming gegeven, "ten voorlopigen titel", maar niets is zo definitief als een voorlopige beslissing en Hollandia's gemengd karakter berust op dit stukje correspondentie. Cantussen waren toch al nooit het sterkste punt geweest, maar nu verdwenen ze geheel. Hollandia werd een echte gezelligheidsvereniging voor iedereen, waarbij het meer dan ooit tevoren een echt Nederlandse club werd. De vereniging groeide spectaculair en het bestuur kreeg moeite om de ruim zestig leden onder controle te houden. De typische vormelijkheid en deftigheid van het Nederlandse studentenleven van die dagen deden ook in Hollandia hun intrede. Ledenvergaderingen met talrijke speels bedoelde moties van wantrouwen, vorming van disputen en andere zaken die de overige Leuvense verenigingen volstrekt onbekend zijn, waren aan de orde van de dag. Contacten met het SK, het KVHV of de Vlaamse clubs afzonderlijk waren nagenoeg nihil. Daarentegen deed Hollandia wel mee in de overkoepelende organisatie van buitenlandse studenten in Leuven, iets wat feitelijk pas in 1985 zou eindigen.

     

    Een bijzondere figuur in het Hollandia van deze periode was Jan Foederer, een kunstschilder uit Helmond (1914-1985), die vanaf 1946 (tot zijn dood) lid was. Hij zou door zijn continu en generaties overstijgend lidmaatschap in zekere zin de verpersoonlijking van Hollandia gaan worden. Voorname figuur in het jaarlijks terugkerend Hof van Inquisitie, had hij ook een repertoire van declamaties waaruit hij bij verschillende bijeenkomsten putte (het Scheppingsverhaal, het Loflied op Hollandia, Johanna). Hollandia had twee jaarlijkse hoogtepunten, het feest voor de inauguratie van de nieuwe leden in november of december en de dies natalis die traditioneel net vóór de blok gevierd werd. Beide waren in galakostuum. De dies natalis (evenals het lustrumfeest) bestond uit een mis, een academische zitting met spreker, een diner-dansant en een ontbijt bij de Gambrinus op de Grote Markt ofwel dauwtrappen bij de Zoete Waters.

     

    Het hoogtepunt van deze bloeiperiode viel wellicht in het jaar 1947. De vereniging voerde toen Godfried Bomans' bekende draak Bloed en liefde op (het enige toneelstuk dat vanaf het begin de bedoeling had een draak te zijn), maar bracht het zowaar ook tot een heus clubblad, Ceterum censeo. In mei 1947 vond er echter een wat onduidelijke gebeurtenis plaats die de Hollandia-geschiedenis is ingegaan als de meirevolte. Blijkbaar begon de vereniging op het vlak van traditionele Nederlandse studentikoze stijl aanzienlijk in te boeten, wat ertoe leidde dat enkele 'conformisten' een soort machtsgreep deden en Leuven ineens tijdelijk opgezadeld was met twee Nederlandse studentenverenigingen, nl. de oude KSV Hollandia Lovaniensis en, daartegenover, het NSC Hollandia Lovaniensis (= Nederlands Studentencorps). Bij het begin van het acadamiejaar 1947-48 bleken de plooien echter weer gladgestreken: een echte breuk is niet gevolgd. De NSC'ers stonden op meer doorvoelde studentikoziteit, meer stijl in pak en optreden, maar ook een feller tot uiting komend studentengevoel, niet enkel op ontspanningsgebied, maar ook religieus. Men nam het predicaat "katholiek" aanzienlijk serieuzer dan de KSV'ers aan wie men verweet een vrij kleurloze en onsamenhangende, vrijblijvende, amorfe groep te zijn.

     

    Al vanaf het einde van de jaren '40 begon het aantal nieuwe Nederlandse studenten in Leuven te dalen. Daarmee zette zich een weldadige nabloei in, waarin de vereniging terugzakte tot zo'n twintig leden die zo veel mogelijk de sfeer van de grote bloeiperiode probeerden te handhaven. Een zekere inteelt mag de club wellicht niet worden ontzegd, althans voorzover men uit het overvloedig archiefmateriaal kan besluiten. Figuren die in deze tijd van zich deden spreken waren o.m. Theo Fluit, Jan van Lith en Karel Becker. Sommige Hollandialeden belandden op bijzondere plaatsen: zo is mgr. Karel Kasteel, een van degenen die het overlijden van paus Johannes Paulus II moesten vaststellen, een oud-Hollandialid. Een bijzondere loot aan de Hollandiastam in dit stadium was ook de oudledenvereniging die net na de hoogbloei het leven zag en die onder het patronaat van paus Adrianus VI (paus van 1522-1523 en stichter van het Pauscollege) als 'de grootste Nederlander in Leuven aller tijden' van 1951 tot 1954 bestond en een eigen Mededelingenblad Leuven-Nederland uitgaf.

     

    De vereniging kwam soms in het Leuvense naar buiten als importeur van typisch Nederlandse cultuur: zo roganiseerde ze tot twee maal een voordracht door Godfried Bomans en was ze ook actief in de tijdens de jaren '60 door de universiteit ingerichte 'Nederlandse week', o.m. in 1969 rond Desiderius Erasmus.

     

    Een centrale gedachte in het verenigingsleven in die dagen werd ingenomen door de wens een eigen 'home' te hebben. Verschillende plannen werden ontworpen, sommige initiatieven ook gerealiseerd (zoals de zogenaamde 'kelder' in de Naamsestraat in het begin van de jaren 1960), maar lang duurde het nooit. Hollandia was daarvoor feitelijk gewoon te klein. In feite leefde de vereniging in toenemende mate in splendid isolation: contacten met het Leuvense studentenleven waren schaars, die met de Nederlandse (katholieke) verenigingen vrijwel louter formeel en beperkt tot de uitwisseling per kaart van de bestuurssamenstelling. Langzaam begon de vereniging in te dutten en de beroering van de jaren 1960 leek Hollandia aanvankelijk volkomen te ontgaan.

     

    Als zich tenminste niet een jaar na de opstand van mei '68 ook in Hollandia een ware revolutie had voorgedaan...

     

    Revolutie: Hollandia in existentiële crisis (1969-1986)

    In het academiejaar 1968-69 stelde zich namelijk het probleem of men op de traditionele grote feesten van inauguratie en dies natalis in rok moest of dat stadskledij volstond. Deze in onze ogen wellicht wat triviale aangelegenheid werd de aanzet tot een heuse culturele revolutie. Hollandia werd wakker en botste op een aantal ernstige groeistuipen. Men ging in deze tijd dat alles op de helling moest, zich overal vragen bij stellen: had een vereniging nog wel zin? was Hollandia niet veel te veel gebonden aan de statuten en regeltjes en vormen en normen? In 1972-1973 verdween de klassieke bestuursstructuur en leidde een soort kerngroep de vereniging of wat daar nog voor door moest gaan. Vooral niets wat echt bindt of verplicht, leek het motto. Hollandia kwam in die tijd samen in een inmiddels afgebroken huisje aan de Ravenstraat 8, dat ingericht was als een soort bar. Meer mocht het niet zijn. Maar een vereniging die niet meer bindt, is gedoemd om te verdwijnen. Nadat in oktober 1973 nog een iets traditioneler bestuur was verkozen, verdween in het voorjaar van 1974 dit bestuur en daarmee de vereniging zonder een spoor na te laten.

     

    Nu volgt een diepe crisis die tegelijk de overgangsperiode zal blijken te zijn tot het huidige Hollandia. Een typisch probleem voor Hollandia is uiteraard de aanwerving van nieuwe leden. Waar de meeste Leuvense clubs een recruteringsgebied hebben van één enkele stad, waarbij persoonlijke relaties een belangrijke rol kunnen spelen, ligt dat voor Hollandia aanzienlijk moeilijker. De meeste Nederlandse studenten in Leuven kwamen traditioneel uit de zuidelijke provincies Noord-Brabant en Limburg. De rest van het land leverde minder studenten aan Leuven dan elk van deze twee provincies afzonderlijk. Vooral de noordoostelijke provincies (Overijssel, Drenthe, Friesland en Groningen) waren bijzonder mager vertegenwoordigd. Van oudsher zijn het vooral de faculteit Godgeleerdheid en het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte die een aantrekkingskracht uitoefenen, maar daarnaast vormden Pol & Soc en Psychologie tot ca. 1970 de grootste attractiepolen, omdat deze richtingen in Nederland zelf onderontwikkeld waren. Vanaf 1970 begint dat te veranderen. Door de numerus clausus in eigen land stroomden langzaam steeds meer Nederlandse studenten Geneeskunde naar Leuven en sindsdien vormen zij de belangrijkste groep. Ook de geografische spreiding is minder uitgesproken Zuid-Nederlands / Beneden-Moerdijks dan vóór 1970. Toch zijn deze ontwikkelingen niet echt van belang geweest voor de geschiedenis van de vereniging als zodanig. De algemene sfeer van individualisering van de jaren 1970 en de gedeeltelijke terugkeer naar meer georganiseerde vormen in de jaren 1980 bepaalden deze daarentegen wel.

     

    Na goed twee jaar non-existentie duikt Hollandia schoorvoetend, als een probeersel, weer op in maart 1976. Het initiatief kwam van Harry Spoelstra, die het jaar daarop, 1976-77, als echte praeses het eerste verenigingsjaar van het hernieuwde Hollandia zou leiden. De latere voorzitter van Artsen Zonder Grenzen Nederland, Jacques Demilliano, volgde hem op, maar na dit tweede jaar begon de vereniging weer weg te zakken. Een tweede herstelpoging vond plaats in 1981-82 onder Hessel de Jongh en Ernest Luyten. Ook deze poging liep na twee jaar schipbreuk. In 1985, aan de vooravond van het honderdjarig bestaan kende de vereniging slechts vijf (5) leden. Hessel de Jongh en zijn opvolger Ernest Luyten (1982-83) waren de eersten die sinds een eeuwigheid contact hadden gezocht met het SK. Zij voerden ook de linten in, al droeg men het Hollandialint alleen op de inauguratie en de dies natalis. Op gewone clubavonden was een Hollandialid niet herkenbaar. Bovendien droegen alle vier bestuursleden in strijd met de de Leuven gangbare praktijk een breed lint. De schachtenmeester bleek alleen te bestaan op de avond van de inauguratie zelf. Van het Hollandia van vóór de crisis heeft met name het Hof van Inquisitie overleefd. Hollandia kwam nu ook echt samen in een café, 't Kraakske tot 1990, Den Bel en de Ambiorix daarna. Voor het eerst bezochten Hollandiapraesides vergaderingen van het SK. Hoe bescheiden ook, de weg die van Hollandia een Leuvense club zou maken, was ingeslagen.

     

    Het bestuur van het jubeljaar 1985-86 met Myriam van Loon als enige vrouwelijke praeses en ondergetekende als ab actis zag zich dus weer met een diep verval geconfronteerd. Toch wist men voor de derde maal de vereniging uit het dal te halen. Omdat sindsdien de vereniging nooit echt meer voor het naakte bestaan heeft moeten vrezen, mag men zeggen dat vanaf dat jaar de crisis overwonnen is. Dat jaar werd opnieuw contact met het SK gezocht, nadat dat in de jaren na De Jongh en Luyten weer verloren gegaan was. Ook werd de codex geraadpleegd over de manier waarop het allemaal moest verlopen. Hollandia was werkelijk bezig aan een culturele heroriëntatie zonder weerga. Het was niet minder dan de ombouw van een Nederlandse verenging tot een Leuvense club en dat ging allemaal erg geleidelijk.

     

     

     

    Het moderne Hollandia: integratie in het Leuvense milieu (1986-2010)

    De jaren die op het hersteljaar 1985-86 volgden brachten continuďteit op het vlak van het ledenaantal (ca. 25 tot 40). Tegelijk werd de nieuwe koers verdergezet. Tijn van Ewijk (praeses 1987-88) liet Hollandia daadwerkelijk en officieel tot het SK toetreden. Vanaf dat moment ging ook de overname en toepassing van de codex in versneld tempo. Tegelijk werd de band met het eigen verleden verdergezet door het functioneren van ondergetekende als groot-inquisiteur in het al meermaals vermelde Hof van Inquisitie. De combinatie van voortzetting van het beleid van het herstelbestuur, vooral door een zorgvuldige ledenwerving, met de nieuwe geest leidde tot een daadwerkelijke nieuwe bloei, met heel mooie jaren onder o.m. Wouter Lansink (1988-89) en Sven van Helden (1989-90).

     

    In het najaar van 1991 stelde zich echter een nieuw - en tegengesteld - probleem. Door een exponentieel gegroeid aantal inschrijvingen (vooral voor Geneeskunde: er waren dat jaar ineens zowat 200 nieuwe Nederlandse studenten) kon Hollandia de groei niet meer aan. Tom Drixler (1991-92) koos voor een wat radicale aanpak. De toepassing van de codex, die in de voorgaande jaren nog altijd wat vrij was geweest, werd nu strikter in een poging van Hollandia niet langer een Nederlands-Leuvens hybride tussengeval te maken, maar een echte Leuvense club, terwijl aan de andere kant de open toegang en ledenwerving van de voorgaande jaren (onder het motto 'elk lid is een goed lid') werd vervangen door een selectie. De democratische traditie van ledenvergaderingen die formeel werden uitgeschreven en over alles beslisten, was in feite al in 1985-86 gesneuveld en vervangen door een meer permanente, maar niet formele bijeenkomst waarbij mededelingen gedaan en vragen gesteld konden worden. Gestemd werd er in Hollandia steeds minder. Het gemengde karakter van de vereniging werd ook in vraag gesteld. In het jaar van Drixler fluisterde men zelfs over een soort opdeling in een jongensclub en een meisjesclub, maar dat voorstel heeft het niet gehaald. Wel ontstond er, maar eerder in aansluiting bij de Nederlandse dan de Leuvense geplogenheden, een dispuut, de Bokkenrijders, dat zich presenteerde als een heroprichting van het gelijknamige dispuut uit 1947.

     

    Hollandia zag zich duidelijk voor het probleem geplaatst hoe men de eigen historische identiteit moest verzoenen met de nieuwe koers, maar misschien was men zich daardoor nooit zo bewust van de twee polen in de naam, Hollandia en Lovaniensis. Hollandia is meer dan ooit tevoren een Leuvense club geworden, integratie binnen het clubleven staat bovenaan de agenda, maar enkele elementen van de oude vereniging zoals het gemengde karakter en het eigen inauguratieritueel met het Hof van Inquisitie zijn behouden gebleven. Daarnaast heeft een nieuwe activiteit als het galabal (vanaf 1992-93) wel duidelijk zijn plaats in het Leuvense clubleven en vervangt dit oude plechtige hoogtepunten als de dies natalis die nu minder open werd en meer een aangelegenheid voor de leden van dat moment. In 1997 ontstond overigens zelfs een tweede dispuut, Lothlórien geheten.

     

    De hervorming van het universitair onderwijs ten gevolge van de Bologna-akkoorden is met de invoering van het semestersysteem in 2000-2001 van ingrijpende betekenis geweest voor het verenigingsleven: waar vroeger het verenigingsleven pas tegen de Paasvakantie tot stilstand kwam, is er nu een duidelijke tweedeling in twee grote blokken, oktober tot en met december en februari tot april, en dientengevolge een heel andere structuur dan voorheen. In de eerste jaren van de 21ste eeuw nam het aantal leden overigens geleidelijk af, waardoor het van ruim 40-50 tot 20 slonk. Inmiddels is daar weer verandering in gekomen en heeft men de stand van 40 weer bereikt.

     

    Daarmee lijkt Hollandia in het geheel van Leuvense clubs toch weer een buitenbeentje te zijn, want in het Vlaamse clubleven heerst sinds enkele jaren een duidelijke malaise die tot de opheffing van verscheidene clubs heeft gevoerd. De toekomst van Hollandia ziet er daarentegen gezond uit, maar de recente bezuinigingsmaatregelen van het kabinet Rutte zouden wel eens interessante gevolgen kunnen hebben. Op dit moment (voorjaar 2011) wordt er gedacht, c.q. gevreesd dat er een ware toevloed van Nederlandse studenten naar Leuven zou kunnen afzakken, om de sterk stijgende studiekosten te ontlopen. Of Hollandia zo'n tsunami aankan, is de vraag. Zeker als de vereniging zich tegelijk sterk wil maken voor de integratie. Met 40 á 50 leden is Hollandia al de grootste vereniging. Als dat aantal zou groeien tot 80, zelfs 100, zou de vereniging veel te groot zijn voor dat kader. Maar hoe te reageren? Is jaren lang de voornaamste zorg geweest dat er niet genoeg leden bijkwamen, nu lijkt het tegengestelde het geval te zijn... Het probleem waarmee Hollandia zich in het begin van de jaren 1990 geconfronteerd zag, lijkt opnieuw op te doemen: er zijn tijden geweest dat het er heel anders uit zag. Bij het begin van het 20ste lustrum, bij het honderdjarig bestaan van de vereniging in 1985-86 telde de vereniging nog net 5 leden...

     

    Met dat al blijft Hollandia een beetje een apart geval in het Leuvense geheel. Nu viert Hollandia zijn 125ste verjaardag en zijn 25ste lustrum (!): vivat, crescat, floreat, haec mea spes et mea vota.

     

     

     

    Literatuur: M. Derez, 'Hollandia Lovaniensis. De Nederlandse aanwezigheid aan de Leuvense universiteit in de 19de en 20ste eeuw', Onze Alma Mater 1987, 81-104; M. Verweij, 'Hollandia Lovaniensis. Een geschiedkundig overzicht 1886-1991', Hollandia. Het eenentwintigste lustrum 1886-1991 (Leuven, 1991), p.8-10.21-23.52-54.64-67; M. Verweij, 'The Liber Congregationis Maioratus Silveducensis: a register of a 17th-century Leuven student fraternity', in D. Sacré-G. Tournoy (edd.), Myricae. Essays on Neo-Latin literature in memory of Jozef IJsewijn, Supplementa Humanistica Lovaniensia 16 (Leuven, 2000), pp. 591-616.

     

     

     

    Dr. Michiel Verweij (Oirschot, 1964), honorair lid van Hollandia Lovaniensis en gewoon lid van 1982/83 tot 1991/92 (studie Klassieke filologie) is adjunct-conservator op het Handschriftenkabinet van de Koninklijke Bibliotheek van België te Brussel en tevens medewerker van de OE Latijnse literatuur van de KULeuven. Hij was gastdocent in Leuven in 2002-4 en 2010.

     

    Contact:

    info@ksvhollandia.be

     

    Clubcafé:

    't Adtje, Zeelstraat 1, Leuven